Nerodia sipedon insularum

Nerodia sipedon insularum, Eriemeer Waterslang: (Conant & Clay, 1937)

Algemeen

N.s.insularum man van 74 cm met duidelijke tekening op 7 mei 2005.De Noordelijke Waterslang (Nerodia sipedon) is nauw verwant aan de meest bekende vertegenwoordiger van het Noord-Amerikaanse waterslangen (het geslacht Nerodia): de Gebandeerde Waterslang (Nerodia fasciata). In tegenstelling tot de Gebandeerde Waterslang is de Noordelijke Waterslang een zeldzame verschijning in Europese slangencollecties.
Dit zal voor een gedeelte het gevolg zijn van het feit dat deze slang maar zelden geïmporteerd wordt uit Noord-Amerika en als ze al geïmporteerd worden zijn het slechts enkele dieren zodat het opzetten van kweekgroepen lastig is. N.fasciata daarentegen werd en wordt nog steeds regelmatig geïmporteerd (met name N.f. pictiventris uit Florida).

N.s.insularum; volwassen vrouw zonder duidelijke tekening op 7 mei 2005.In het verleden werden de Noordelijke Waterslang en de Gebandeerde Waterslang gerekend tot dezelfde soort totdat biologen erachter kwamen dat de twee soorten overlappen in hun verspreidingsgebied zonder te kruisen (Gibbons & Dorcas, 2004).
Er zijn echter wel plekken bekend waar deze twee soorten zich vermengen (o.a.Virginia, zie Gibbons & Dorcas, 2004) en het determineren van dergelijke exemplaren zal enorm lastig zijn zonder dat je de precieze herkomst kent.

De ondersoort Nerodia sipedon insularum is een unieke ondersoort van Nerodia sipedon welke slechts in een heel beperkt gebied voorkomt en zicht typeert door het grotendeels ontbreken van dwarsbanden en vlekken. Deze ondersoort houdt er een heel aquatische levenswijze op na.

Lengte en lichaamsbouw van Nerodia sipedon insularum.

N.s.insularum; volwassen vrouw van 106 cm zonnende op de kalkstenen rotsen op 7 mei 2005.Het sexueel dimorphisme is vrij duidelijk bij de grotere exemplaren van deze ondersoort; de vrouwtjes kunnen veel groter worden (150 cm totale lengte) dan de mannetjes (121 cm) en ze zijn ook veel zwaarder gebouwd.

150 cm is wel een record, normaal vind je in de natuur geen vrouwtjes die veel groter zijn dan 110-130 cm. De vrouwtjes zijn met name indrukwekkend van omvang wanneer ze zwanger zijn.
Maar N.s.insularum is vergeleken met andere vertegenwoordigers van het geslacht Nerodia (zoals N.rhombifer en N.taxispilota) duidelijk slanker van bouw.
In de literatuur (Seymour & King, 2003) staat vermeld dat N.s.insularum vergeleken met N.s.sipedon als adult een grotere lichaamslengte bereikt, langzamer groeit en een kortere staart heeft.

Beschrijving van Nerodia sipedon insularum

N.s.insularum man van 70 cm met (vage) dwarsbanden op 7 mei 2005.N.s.insularum is een lichtgekleurde ondersoort die normaliter de dorsale dwarsbanden en vlekken mist. Hij is van boven vrijwel egaal beige bruin gekleurd; de kleur kan neigen naar grijs of groen. Dit kleurpatroon is uniek onder de Noordamerikaanse waterslangen. Hoewel mijn volwassen kweekkoppel vrijwel ongetekend is heeft een gedeelte van de jongen nog steeds wat sporen van de oorspronkelijke gebandeerde tekening.

Juveniele N.s.insularum (25 cm) met zeer fraaie tekening op 7 mei 2005.
In veel slangen
zijn net boven de buikschubben heel duidelijk de restanten van de banden en vlekken te zien. Dit zie je echter alleen als je de slangen van de buikzijde bekijkt, van boven lijken ze ongetekend. De buik kan heel licht van kleur zijn (vrijwel wit) zonder de voor N.s.sipedon typische vlekken. Sommige exemplaren hebben een prachtige oranje streep op de buik, en soms is er sprake van een grijze stippeling. Er zijn ook exemplaren die nog altijd een duidelijk gebandeerde tekening hebben.

Onderscheid tussen Nerodia sipedon en Nerodia fasciata

Juveniele N.s.insularum (25 cm) met zeer fraaie tekening op 7 mei 2005Zoals gezegd is met name N.fasciata veel geïmporteerd en makkelijk te verwarren met N.sipedon. Beide soorten lijken op het eerste gezicht vrij veel op elkaar (dit geldt natuurlijk niet voor de uniform getekende exemplaren van N.s.insularum) en hebben fraaie dwarsbanden over het gehele lichaam. Daarnaast zijn beide soorten enorm variabel qua kleur en patroon en komen ze voor over een uitgestrekt gebied in Noord-Amerika.

Het meest in het oog springende onderscheid is de zwarte streep die loopt van het oog tot aan de mondhoek in Nerodia fasciata, welke ontbreekt bij N.sipedon. Daarnaast is N.fasciata over het hele lichaam gebandeerd, terwijl bij N.sipedon de dwarsbanden ergens halverwege het lichaam (of eerder) over gaan in 3 rijen alternerende vlekken.

Voor een meer gedetailleerde beschrijving verwijs ik naar het uitstekende boek van Gibbons & Dorcas (2004).

Terrarium

N.s.insularum; eigen nakweek.Eriemeer Waterslangen doen het goed in een warm terrarium met een perfect droog landgedeelte met hoge dagtemperaturen (lokaal tot zo’n 30 – 33 ºC). Vanwege hun grootte is het aan te raden een groot terrarium te bouwen met als minimum maat voor een volwassen koppel 100 x 50 x 50 cm, maar 150 x 50 x 50 cm is beter. Nachttemperaturen mogen, met name in het voor en najaar, flink wegzakken; dat luistert niet zo nauw. Ze hebben niet perse een groot watergedeelte nodig, hoewel ik wel verwacht dat ze actiever zullen zijn wanneer ze veel kunnen zwemmen. Zeker als ze gevoerd worden met levende vis die ze zelf moeten vangen. Ze brengen vaak de nacht door in de waterbak. Ik overwinter zowel de volwassen dieren als pasgeboren baby’s bij 0 – 7 ºC in de koelkast; 2 N.s.insularum; eigen nakweek.maanden minimal voor de baby’s en zo’n 5 – 6 maanden voor de volwassen dieren. De volwassen slangen zijn vrijwel altijd overdag goed te zien, zonnend onder de lamp. De juvenielen hebben de neiging zich wat meer te verstoppen onder stronken en stenen. De jongen groeien goed op wanneer het terrarium ook bodemverwarming heeft; dit heeft wel als nadeel dat de slangen wat minder vaak te zien zijn omdat ze verborgen onder stenen of kranten makkelijk hun voorkeurstemperatuur kunnen bereiken.

Gezien hun verspreidingsgebied zouden Eriemeer Waterslangen erg geschikt moeten zijn om in een buitenterrarium te houden, hoewel de Nederlandse zomers (en met name het voorjaar en herfst) wel natter en koeler zijn en ook minder zonnig.

Sinds Mei 2009 houd ik een groep exemplaren in mijn buitenterrarium en ze doen het heel goed.

Overzicht van de vijver; ontdek de Nerodia sipedon insularum die zijn kopje boven het wateroppervlak uitsteekt.Het is de bedoeling waarnemingen gedaan aan N.s.insularum in mijn buitenterrarium gedurende het seizoen met enige regelmaat bij te werken op deze website. Het gedrag in mijn buitenterrarium met kleine vijver verschilt aanzienlijk met hun gedrag binnen. Terwijl de slangen dode vis op een schaaltje op het droge aangeboden kregen reageerden ze door in het water te gaan jagen. Uiteindelijk kropen ze wel uit het water om een visje te pakken maar ze trokken zich dan meteen weer terug in de vijver om daar hun vis op te eten. Bij verstoring doken de slangen naar de bodem van de vijver, Dit in tegenstelling tot Thamnophis radix en T.s.pickeringii die ook in het buitenterrarium leven en die altijd over land wegvluchten.
Na een tijdje kwamen de Eriemeer Waterslangen weer naar de oppervlakte met alleen hun kopje boven water om te kijken of het gevaar geweken was. Zo konden ze wel minuten lang aan de oppervlakte hangen. Dit lijkt erg op het natuurlijke gedrag van bijvoorbeeld Natrix maura uit Zuid Frankrijk.

Verspreiding en habitat van de Eriemeer Waterslang.

N.s.insularum; 2 mannen op de uitkijk voor vrouwtjes op 7 mei 2005.Nerodia sipedon komt langs de oostkust voor van zuidoost Canada tot in het noorden van Florida. De soort komt in westelijke richting voor tot in het oosten van Colorado. Het is de meest noordelijk voorkomende vertegenwoordiger van het geslacht Nerodia.

Er zijn vier ondersoorten van de Noordelijke Waterslang beschreven: Nerodia sipedon sipedon, N.s.pleuralis, N.s.williamengelsi en N.s.insularum. De meest zeldzame ondersoorten zijn de Carolina Waterslang (N.s.williamengelsi) en de Eriemeer Waterslang (N.s.insularum). N.s.insularum is beschreven in 1937 door Conant en Clay en zij hebben deze ondersoort “insularum” genoemd vanwege het feit dat de ondersoort alleen bekend is van een paar eilanden in het westen van het Eriemeer.

Zanderig stuk kust van Pelee eiland; 7 mei 2005.Op de eilanden op het Amerikaanse grondgebied is deze ondersoort erg zeldzaam geworden, mogelijk door toerisme en het veranderen van zijn natuurlijke habitat (vakantiehuisjes langs de kust). Op een aantal eilanden komt hij reeds niet meer voor. Recent onderzoek lijkt aan te geven dat de populaties zich weer aan het herstellen zijn en dat zelfs enkele eilanden weer door deze unieke ondersoort bewoond worden na een periode van afwezig zijn (Seymour & King, 2003). Gelukkig komt deze ondersoort op het Canadese “Pelee Island” nog in grote aantallen voor (Bol, persoonlijke observaties).

Typische kalkstenen biotoop op Pelee eiland; 7 mei 2005.De eilanden in het westen van het Eriemeer bestaan voornamelijk uit kalksteen. De Eriemeer Waterslang komt op deze eilanden typisch voor op de kale en onbegroeide rotsen dicht bij het water. Zonnende slangen en slangen die fourageren in het ondiepe heldere water zijn door deze egale tekening en kleur goed gecamoufleerd en hebben vrijwel dezelfde kleur als de kalkstenen ondergrond. De normale gebandeerde vorm van N.s.sipedon zou veel meer opvallen en zo een makkelijke prooi vormen voor reigers en andere potentiële predatoren.

Eriemeer USA

Eriemeer USA

De Populaties die voorkomen langs de kusten van het “vaste land” van het Eriemeer worden allemaal tot de nominaat vorm (N.s.sipedon) gerekend en zijn doorgaans sterk getekend. Zo af en toe lukt het een van deze zwaar getekende exemplaren om een van de eilanden te bereiken en soms worden zwemmende exemplaren waargenomen kilometers uit de kust midden op het meer. Maar natuurlijke selectie tegen deze gebandeerde vorm is zo sterk dat de populatie op Pelee eiland (en de andere eilanden) nog altijd uit vrijwel ongetekende exemplaren bestaat en de gebandeerde variant krijgt niet de kans zich te vestigen. Ik heb echter in Mei 2005 wel 2 sterk gebandeerde baby’s (jongen geboren de voorgaande zomer) gezien die bezig waren het overwinteringshol te verlaten. Dit geeft aan dat getekende exemplaren af en toe de eilanden bereiken. Deze ongetekende eilandpopulatie/ondersoort wordt gezien als een schoolvoorbeeld van natuurlijke selectie aan de ene kant en gene flow aan de andere kant (Seymour & King, 2003).

Pelee Island map

Pelee Island map

Op Pelee eiland in Canada deelt N.s.insularum zijn habitat met de Oostelijke Kousebandslang Thamnophis sirtalis sirtalis. 27% van de Oostelijke Kousebandslangen die ik in Mei 2005 waarnam waren melanistisch. Tijdens mijn bezoek aan Pelee eiland in Mei 2005 vond ik een overwinteringshol waar T.s.sirtalis en N.s.insularum gezamenlijk overwinterden, in ieder geval de laatstgenoemde in grote aantallen. Ik zag hoe een paar volwassen mannen van N.s. insularum uit het overwinteringshol tevoorschijn kropen en in de nabije omgeving bleven wachten met een kop hoog opgeheven, blijkbaar op zoek naar vrouwelijke Noordelijke Waterslangen om mee te paren. Een aantal vrouwtjes waren klaarblijkelijk al eerder tevoorschijn gekropen want ik zag een grote vrouw (>100 cm TL) in het hoge gras achter een kikker aanjagen. Onder een grote steen die min of meer op het overwinteringshol lag vond ik ongeveer 15 baby’s van N.s.insularum die geboren waren in de vorige zomer. Het was duidelijk dat het voorjaar op Pelee eiland pas kort begonnen was voor zowel T.s.sirtalis als N.s.insularum, wat overeenstemt met de literatuur (in: Seymour & King, 2003).
N.s.insularum man van 85 cm; zonnend op 7 mei 2005.Leven in het grensgebied tussen de USA en Canada in het Eriemeer houdt voor deze waterslangen in dat ze aangepast moeten zijn aan een landklimaat met lange winters met soms veel sneeuw en ijs en relatief warme zomers. Het Eriemeer is een enorm groot meer (beter gezegd een binnenzee) en deze enorme watermassa heeft uiteraard een flink effect op het klimaat van de eilanden die omgeven zijn door water. De herfst temperaturen zullen wat milder zijn in de herfst maar het zal ook langer duren voordat het lekker warm wordt in het voorjaar. Het is niet voor niets dat er melanistische T.s.sirtalis voorkomen op de eilanden in het Eriemeer.

Winterrust in het wild kan duren van eind September tot eind April (soms wel 7 maanden) (in: Seymour and King, 2003).

Caresheet

De richtlijnen voor T.a.atratus  (Bol, 2007) zijn in grote lijnen ook toepasselijk voor N.s.insularum.  De van nature veel langere winterrust is natuurlijk een belangrijk verschil. N.s.insularum is aangepast aan lange en strenge winters.

Kweekgroep

N.s.insularum vrouw van 104 cm; jagend in het gras op 7 mei 2005.Mijn kweekgroep bestaat uit een paartje afkomstig van het uiterste zuiden van Ontario, Canada en een aantal van hun jongen.

Mijn 2 volwassen vrouwtjes zijn momenteel 126 en 109 cm (TL) en mijn volwassen man meet 93 cm (TL).

Literatuur:
Bol, S., 2007. Verzorging en kweek van de Santa Cruz Kousebandslang Thamnophis atratus atratus. Lacerta 65(5): 200-217.
Conant, R., and J. T. Collins, 1937. A new subspecies of water snake from the islands in Lake Erie. Occasional Papers of the Museum of Zoology, university of Michigan 346: 1-9.
Gibbons, J.W. & M. E. Dorcas, 2004. North American Watersnakes. A natural history. University of Oklahoma Press, Norman. 1-438.
Seymour, M. M. and R. B. King, 2003. Lake Erie Watersnake Recovery Plan (Nerodia sipedon insularum). Department of the Interior U.S. Fish and Wildlife service. Great Lakes-Big Rivers Region (Region 3). Fort Snelling, MN.

Search on Yahoo Images, etc...Search on Wikipedia Search on Google Scholar Search on Flickr