Santa Cruz Kousebandslang (deel 3)…

Verzorging en kweek van de Santa Cruz Kousebandslang, Thamnophis atratus atratus (Kennicott, 1860), (Deel 3).

Steven Bol (Auteur…)

Voortplanting

Hier een grote hoogzwangere vrouwelijke T.a.atratus van ruim 80 cm gefotografeerd in het natuurlijke biotoop… ©Bij het op de hierboven beschreven manier van houden is in april al duidelijk dat de slangen zwanger zijn. De vrouwtjes zijn in deze periode enorm vraatzuchtig en zonnen vrijwel continu. Pas in de laatste weken voor het werpen van de jongen begint de eetlust wat te temperen, hoewel ze meestal niet compleet stoppen met eten.
Thamnophis atratus is net als alle andere kousebandslangen levendbarend. De jongen worden bij mij in het terrarium eind juni of ergens in juli geboren.
In tabel 1 geef ik een overzicht van de kweekresultaten met 4 verschillende vrouwen in de periode van 2000 tot en met 2006.

Als gemiddeld aantal jongen per worp noemen Rossman, Ford & Siegel (1996) 7,8 en 8,4.

Tabel 1

Tabel 1

In 2005 wierpen mijn 4 volwassen vrouwtjes in totaal 56 jongen, waarvan 2 dood.
Het gemiddelde aantal jongen per vrouw in 2005 (14) is hoger dan wat in de literatuur wordt aangegeven, maar deze vrouwen zijn allen ook vrij groot (69 – 77.5 cm in 2005, zie tabel 1) en goed doorvoed. Vermeldingswaardig is een worp van 26 (23 levende en 3 doodgeboren) jongen in juli 2007 van een 6 jaar oude vrouw van 84 cm.

Over het algemeen geven grotere, zwaardere en oudere vrouwtjes meer jongen dan kleinere vrouwtjes.

Grafiek 4

Grafiek 4

In grafiek 4 is de relatie tussen de totale lengte van het vrouwtje en het totaal aantal jongen weergegeven, en hieruit blijkt dat er een sterke correlatie is tussen de lengte en de worpgrootte (incl. waseitjes en doodgeboren jongen)

De gemiddelde totale lengte van de jongen van deze 4 worpen uit 2005 (2 vrouwen wierpen tegelijkertijd in hetzelfde terrarium, dus deze jongen zijn als 1 worp behandeld)  was 22,0 – 22,4 en 22,6 cm wat groter is dan Rossman, Ford & Siegel (1996) aangeven voor een worp van een vrouw uit Stanislaus Co., Ca.: 18,7 – 20,9 cm.

Grafiek 3

Grafiek 3

In de tabel in Rossman, Ford & Siegel (1996) staat ongetwijfeld een typefout: hier worden 99,1 en 100,4 mm aangegeven als kop-romplengte van respectievelijk de mannetjes en vrouwtjes.
De gemiddelde kop-romplengte van de hierboven genoemde 4 worpen uit 2005 was 16,7 – 17,1 en 17,2 cm; hoger dan de waardes genoemd door Rossman, Siegel en Ford (1996) van 12,6 tot 16,6 cm.
De totale lengte van het kleinste jong uit de 4 worpen uit 2005 bedroeg 20,1 cm, het grootste jong was 27,3 cm lang.

In grafiek 3 staat de correlatie tussen de grootte van het vrouwtje en de gemiddelde lengte van de jongen.
De correlatie is minder duidelijk dan die met het aantal jongen per worp. De temperatuur speelt hier hoogstwaarschijnlijk ook nog een rol (zie problemen en ziektes).

Opkweek van de jongen

De jongen worden direct na de geboorte uit het terrarium van de ouderdieren gevangen en apart gezet in kleinere opkweek terraria (afmetingen: 52 x 35 x 30cm en 32 x 27 x 30 cm) in groepjes van ongeveer 10 stuks.

De jongen vervellen, net als alle kousebandslangen, meestal direct na de geboorte (in tegestelling tot bijv. de Adderrings-slang (Natrix maura) waar dit pas na 7 – 10 dagen gebeurt).
Mochten de slangetjes wat vervellingsproblemen hebben dan verdiend het de aanbeveling om de slangetjes eerst een paar uur in een vochtig bakje te zetten, eventueel wat te helpen met het afstropen van de huid en vervolgens in het terrarium te plaatsen.

Het terrarium is qua temperatuur en inrichting identiek aan die van de ouderdieren (zie kopje Terrarium).
Meestal bied ik de jongen slangen na een paar dagen tot een week voor de eerste maal voedsel aan.

Het dieet bestaat net als de volwassen dieren uit vis. Bij voorkeur kleine visjes die in 1 keer naar binnen kunnen. Als ik niet over het juiste formaat vis beschik knip ik de visjes in kleine hapklare brokken (met graat en al) en biedt ze zo aan.

Voeder frequentie van de jongen is elke 5 – 7 dagen, waarbij ze zoveel krijgen als ze op kunnen.

De opkweek van de jongen gaat zeker de laatste jaren probleemloos (zie problemen en ziektes).

Groei en leeftijd

Grafiek 1

Grafiek 1

De groei van een aantal (nakweek)dieren geboren in 1999, 2000 en 2001 wordt weergegeven in grafiek 1. Het oudste vrouwtje waarvan ik de leeftijd weet is nu (februari 2007) ruim 7,5 jaar oud (vrouw 3) en meet nu 81 cm. Twee andere vrouwtje (“vrouw 12” en “vrouw 20”) waren op 5,5 jarige leeftijd al 84 cm lang en vrouw 12 mat op 6,5 jarige leeftijd (januari 2007) 87 cm. Als maximum lengte geven Rossman, Ford & Siegel (1996) 101,6 cm aan. Het grootste vrouwtje wat ik zelf heb waargenomen in Californie mat 78 cm.

Twee mannetjes geboren in 2000 meten nu op 6,5 jarige leeftijd 71 en 68,2 cm. Het grootste door mij in Californië waargenomen mannetje mat 76 cm.
Aanvankelijk groeien de mannen en vrouwtjes vrijwel even hard. Vrouw 12 en 20 groeiden vanaf 2,5 jarige leeftijd gemiddeld over 3 jaar gezien 6,7 cm per jaar. Man 13 en 14 groeiden in diezelfde periode 2,2 cm per jaar. Vrouw 3 echter volgde meer de groeilijn van de mannetjes (zie grafiek 1).

Grafiek 2

Grafiek 2

Grafiek 2 geeft de groei weer van 2 verschillende worpen uit het jaar 2005. Dit geeft weer dat de groeisnelheden sterk kunnen variëren. De worpen van 2005 bestonden allen uit grote gezonde jongen. Dit in combinatie met hoogwaardig voer (goede kwaliteit barbeel versus soms twijfelachtige kwaliteit spiering) en een voldoende warm terrarium kan enorme groeisnelheden creëren.

In principe probeer ik mijn jonge slangen niet zo snel mogelijk zo groot mogelijk te laten worden, en ik voeder ze ook niet vaker dan eens per 5 – 7 dagen. Zo waren de grootste vrouwtjes na 1 jaar rond de 60 cm lang, de grootste mannetjes rond de 50 cm. Grafiek 2 geeft ook aan dat de groeisnelheid van mannen en vrouwen het eerste jaar niet zo ver uit elkaar ligt, hoewel de groep vrouwtje uit worp 2 de groeisnelheid van de mannen uit beide worpen overtreft.

Zoals hierboven vermeld is het oudste vrouwtje (waarvan ik de leeftijd) weet uit mijn collectie ruim 7,5 jaar oud. Een koppel wat in 2000 al minimaal 3 jaar oud moet zijn geweest wordt van de zomer minimaal 10 jaar oud en beide dieren verkeren nog steeds in blakende gezondheid. Het vrouwtje wat deze zomer minimaal 10 jaar wordt wierp afgelopen jaar (zomer 2006) slechts 1 levend jong en 10 waseieren. Als dat dit jaar wederom gebeurt zou het een aanwijzing kunnen zijn van teruglopende voortplantingscapaciteit vanwege de hoge leeftijd.

De 3 vrouwen waarvan ik de leeftijd weet zijn alle 3 geslachtsrijp geworden op 2,5 jarige leeftijd en hebben op 3 jarige leeftijd hun eerste jongen gekregen. De lengte bedroeg toen  resp. 63, 64 en 64,7 cm.
Dieren die zo hard groeien als in grafiek (grafiek 2) zouden op basis van lengte mogelijk met 1,5 jaar al geslachtsrijp zijn en op 2 jarige leeftijd hun eerste jongen produceren.

Rossman, Siegel en Ford (1996) geven als minimum maar aan voor zwangere vrouwtjes 38,6 cm kop-romp-lengte oftewel ongeveer 47 – 48 cm totale lengte.

De jongste leeftijd waarop ik paargedrag genoteerd heb bij een mannetje is ruim 1,2 jaar; de lengte bedroeg op dat moment 60,3 cm.

Problemen en ziektes

In de afgelopen 6,5 jaar dat ik deze slangen heb gehouden heb ik in principe weinig problemen gehad.
Toch zijn er wel een aantal zaken te vermelden.

De eerste 2 jaar heb ik de dieren in een ruim, biotoopterrarium gehouden. De dieren deden het in deze bak maar matig, aten onvoldoende en lieten zich maar weinig zien. Vanwege de grootte van de bak (150 x 50 x 90 cm (l x b x h), de royale ventilatie en de te geringe sterkte van de lampen denk ik dat het (achteraf gezien) te koel geweest is in de bak gedurende het voorjaar en het najaar. Ik heb de dieren toen ook behandeld tegen flagellaten (Flagyl, 200 mg per kg lichaamsgewicht. Oraal toegediend, 2 maal om de 10 dagen). Nadat de dieren verhuisd naar kleinere en warmere terraria is geringe eetlust niet meer aan de orde geweest en waren geen van mijn dieren meer mager.

Het feit dat mijn slangenkamer een sterke seizoenswisseling kent heeft als grote voordeel dat ik de omstandigheden in het voorjaar met hoge dagtemperaturen maar sterke nachtelijke afkoeling goed kan nabootsen. Na het warm zetten let ik altijd goed op het gedrag: zonnen de dieren voldoende, wordt er gepaard en beginnen ze vlot te eten. Als dit alles OK is hield ik de temperatuur vervolgens in het verleden meestal wat minder in gaten. En hierin schuilt een potentieel gevaar.

De hoge wattages nodig om in het voorjaar de bakken goed te verwarmen werden meestal pas vervangen als ze een keer stuk gingen of als ik doorhad dat het erg heet werd. Maar goed meten deed ik niet in de zomermaanden. Ik heb dus ook geen nauwkeurige temperatuur gegevens. Maar het werd me steeds duidelijker dat ik een probleem had met te hoog oplopende temperaturen in de zomer. Tijdens periodes met heet weer schakelde ik de lampen weliswaar wel eens handmatig uit, maar dit vergat ik uiteraard nog wel eens. Of het werd onverwacht erg heet.

Tabel 1

Tabel 1

Na de dieren twee jaar in een erg ruim biotoop terrarium te hebben gehouden verhuisden ze in 2002 naar kleinere terraria.

Als je naar de kweekresultaten van 2002, 2003 en 2004 in tabel 1 kijkt valt op dat deze erg mager zijn: 2002; 7 jongen van 2 vrouwen waarvan 5 doodgeboren (71%), 2003; 22 jongen van 3 vrouwen waarvan 4 doodgeboren(18%)  en 2004; 44 jongen van 4 vrouwen waarvan 32 (72 % doodgeboren). De resultaten van 2004 waren zo overduidelijk slecht dat ik wist dat er iets mis was. In 2004 mat ik rond de geboorte kamertemperaturen van 31 °C en in een aantal terraria mat ik midden op de dag minima van ongeveer 35 – 37 °C.

Een uiterst domme fout zou ik zeggen die er stiekem is ingeslopen over de jaren.

Het aantal doodgeboren maar verder volledig ontwikkelde jongen was niet het enige gevolg van de te hoge temperaturen:

  • De jongen waren kleiner (een fenomeen wat bij hoge broedtemperaturen van eierleggende slangen wel eerder gemeld is (zie tabel 1: 18,2 gemiddeld (geen gewogen gemiddelde).
  • Een groot aantal dieren vertoonde een krul in het uiterste staartpuntje (“varkensstaartje”)
  • Een groot aantal dieren was vrij donker van kleur.

De varkensstaartjes, de donkere kleur en het aantal doodgeboren jongen traden in hetzelfde jaar ook op bij Thamnophis sirtalis tetrataenia die in één van dezelfde terraria huisde.

Mijn conclusie is dan ook dat te hoge temperaturen in de (in dit geval) laatste periode van de zwangerschap kan leiden tot doodgeboren jongen, kleinere jongen en jongen met varkensstaartjes.
Dit laatste is bij mijn weten nog niet eerder beschreven in de literatuur!

In het vroege voorjaar van 2005 bracht ik een thermostaat aan in mijn slangenkamer die alle lampen uitschakelt als de temperatuur boven een bepaalde grenswaarde uitkomt. Ik hou hier meestal 24 – 26 °C voor aan (afhankelijk van het jaargetijde… in de zomer heb ik overal lampen met een laag wattage inzitten, waardoor het verschil tussen kamertemperatuur en terrariumtemperatuur kleiner is).

De effecten van een betere beheersing van de temperatuur op de kweekresultaten spreken voor zich: in 2005: 56 jongen van 4 vrouwen waarvan 2 doodgeboren (3,5%) en geen waseitjes (tabel 1) en in 2006, 57 jongen waarvan 3 doodgeboren (5,2 %) en 0 waseitjes. De gemiddelde lengte bedroeg 22,7 cm en geen enkel dier met een varkensstaartje!

Slotwoord

Thamnophis atratus is een bijzonder attractieve soort. Ze zijn overdag actief en daardoor vrijwel altijd goed zichtbaar in het terrarium. Het zijn makkelijke eters. Ze zijn rustig en niet agressief. Het kweken met deze soort is goed mogelijk. Het is daarom ook een fijne en dankbare soort kousebandslang om te houden en te verzorgen. Zowel voor een ervaren liefhebber als voor een beginner.

Ik hoop dat dit artikel deze onbekende soort wat meer bekendheid zal geven. Door de aanbevelingen en suggesties te volgen die in het artikel worden genoemd verwacht ik dat een ieder die gezonde dieren van deze soort aanschaft veel plezier zal beleven aan deze soort. En deze soort ook tot voortplanting kan brengen.

Samenvatting

In dit artikel wordt een onbekende soort kousebandslang voorgesteld: Thamnophis atratus atratus oftewel de Santa Cruz Kousebandslang.
Na een korte beschrijving van de dieren en hun natuurlijke biotoop gaat de auteur dieper in op de verzorging van deze soort in gevangenschap.
De eisen waaraan het terrarium moet voldoen worden uitgebreid beschreven.
De auteur acht een winterrust essentieel voor het natuurgetrouw houden van deze soort en voor het planmatig kweken van deze soort.
Ook pasgeboren dieren worden op hun leeftijd van ongeveer 5 maanden al overwinterd.
Het actieve seizoen volgend op de winterrust wordt beschreven.
De voortplanting van deze soort wordt beschreven, waarbij de gegevens verzameld over de afgelopen 6 jaar worden geanalyseerd.
De groeigegevens van een aantal dieren wordt weergegeven en ook de variatie hierin over de jaren.
Opmerking over de leeftijd en grootte bij het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd worden gemaakt.
Ten slotte wordt er aandacht besteed aan problemen en ziektes bij deze soort.
Een nog niet eerder in de literatuur beschreven effect van het te warm houden van deze soort tijdens de zwangerschap op de jongen (% doodgeboren, grootte, varkensstaartjes en kleur) wordt gemeld.

Literatuur:
Bol, S., 2002. Obervations on Thamnophis atratus atratus and Thamnophis elegans terrestris in San Mateo County, California. The garter snake 7 (2): 3-8
Bol, S., 2004. Hibernating Garter Snakes: A must or an option. The garter snake 9 (2): 3-11 http://www.californiaherps.com/snakes/pages/t.a.zaxanthus.html
Rossman, D.A., N.B. Ford & R.A. Siegel (1996). The Garter Snakes. Evolution and ecology. University of Oklahoma Press, Norman
Zwart, P., 1982. Thiaminase (antivitamine B1) in de slangenvoeding. Lacerta 40:96-97