Santa Cruz Kousebandslang (deel 2)…

Verzorging en kweek van de Santa Cruz Kousebandslang, Thamnophis atratus atratus (Kennicott, 1860), (Deel 2).

Steven Bol (Auteur…)

Winterrust

Biotoop van T.a.atratus en T.e.terrstris in San Mateo County, Ca. Zon schijnt in juli vanaf 7.30 uur op de oever waar de slangen liggen te zonnenDe Californische kuststrook staat qua klimaat sterk onder invloed van de oceaan. Vanwege de zuidelijke ligging is de kracht van de zon vrij sterk, maar er zijn ’s winters zeker langere periodes dat het te koud is voor de Santa Cruz kousebandslang om actief te zijn. Literatuur vermeldt veelal dat de soort op warme winterse dagen wel eens te zien is, maar dat neemt niet weg dat de dieren zeker wel een winterrust kennen.
Vooral de kuststrook is vaak mistig en bewolkt.

Medio maart 2003 was ik in de gelegenheid het natuurlijke biotoop van deze soort te bezoeken: het was  regenachtig en mistig  en rond de 10 °C en was er alleen rond het middaguur tussen 12 en 2 uur tijdens een opklaring wat beperkte zonactiviteit van Thamnophis atratus waar te nemen. De amfibieën waren net in paarstemming (boomkikkers Hyla sp. en Taricha torosa, de Californische salamander) en de bomen begonnen net uit te lopen. Een dergelijke waarneming is voor mij een indicatie dat deze dieren wel degelijk een rust kennen.
Ik geef mijn dieren een winterrust van ongeveer 3,5 maand (15 weken) van ongeveer begin november tot eind februari. Reden voor een winterrust zijn voor mij een natuurgetrouw houden van deze soort en een voorwaarde voor planmatig kweken. Voor een uitgebreide beschrijving van de door mij gehanteerde winterrust procedure verwijs ik naar Bol (2004).

Minimaal 1,5 – 2 weken voor de start van de winterrust (begin november) stop ik met voeren maar houd ik de dieren nog wel warm zodat er geen onverteerde voedselresten in het darmkanaal achterblijven.
Vervolgens schakel ik de lampen uit. De dieren verblijven dan in de onverwarmde slangenkamer bij temperaturen die in deze tijd variëren van grofweg 8 – 12 °C.

Tijdens strenge vorstperiodes kan de temperatuur wegzakken tot 2 à 4 °C, en op zachte zonnige dagen kan de temperatuur wel eens stijgen tot 14 à 16 °C (maar dan slechts voor een paar uur in de namiddag). Na een korte periode in het onverwarmde terrarium (maximaal 4 weken, meestal korter) breng ik de dieren over in een overwinteringbakje. Ik gebruik hiervoor metalen (oude koektrommels) of plastic containers (relatief klein: ongeveer 3-5 liter inhoud ) welke spaarzaam zijn voorzien van enkele ventilatiegaatjes in de deksel. Dit is van belang, omdat de bak niet te veel uit mag drogen. Deze vul ik dan voor 2/3 met een mengsel van zaagsel en vochtig blad (gewoon uit de tuin, niet ontsmet of zo), en ik besprenkel het geheel met water zodat het licht vochtig is. Zolang de binnenzijde van de deksel na openen altijd wat condensdruppels bevat is het vochtig genoeg, anders maak ik het wat natter.

Zo verblijven de dieren, zonder waterdrinkbakje, gedurende de winterrust periode in de bakjes in de onverwarmde slangenkamer. Ik controleer ongeveer eens per maand of alles goed gaat. Meestal liggen de dieren op het substraat of zijn ze weggekropen in het substraat. Bij openen van het bakje reageren ze middels wat tongelen of eventueel wat rondkruipen.

Mijn ervaring is dat zolang het substraat voldoende vochtig is de dieren deze rust van 3,5 maand zeer goed doorstaan, vrijwel niet afvallen (max. 3-5 % gewichtsverlies, gemiddelde in 2006 was 0,8%) en er na de rust nog piekfijn uitzien. Problemen met te vochtig substraat heb ik nog nooit gezien, afgezien van een klein plekje op de huid wat een beetje ontstoken is. Maar dit is meestal met 1 vervelling weer verholpen. In de afgelopen 6 jaar dat ik deze soort  op deze manier overwinter is er nog nooit één doodgegaan.

Ook jonge slangen, die in november meestal een paar maanden oud zijn, ondergaan een winterrust op dezelfde wijze als de volwassen dieren (in de natuur krijgen deze jonge slangen ook geen aparte behandeling). Het enige verschil is de  kortere duur: minimaal 8, maximaal 11 weken.

Voorjaar

De dieren worden na de winterrust, meestal rond eind februari, overgebracht in het verwarmde terrarium.
Een overgangsfase breng ik niet aan en vanaf de eerste dag tracht ik lokaal een warme plek van 30 – 35 °C te creëren waar deze soort doorgaans meteen op reageert door vrijwel de hele dag te zonnen pal onder de lamp.

In de natuur zijn deze overgangen ook niet geleidelijk. Rossman, Ford & Siegel (1996) geven in dit verband een prima voorbeeld van de dagelijkse schommelingen in de lichaamstemperatuur van een Thamnophis elegans in Californie in april. Het diertje heeft gedurende een koude nacht (van 6 uur ’s avonds tot 9 uur ’s morgens) een lichaamstemperatuur van 8 °C, waarna deze, onder invloed van de krachtige zon, snel stijgt tot een maximum van 25 °C rond 12 uur ’s middags; rond 3 uur’s middags is de lichaamstemperatuur nog 20 °C waarna hij langzaam terugzakt tot 8 °C.

Paargedrag start vrijwel meteen na beëindiging van de winterrust (indien het terrarium warm genoeg is) en de eerste weken na de winterrust wijkt het mannetje vaak nauwelijks van de zijde van het vrouwtje. Het paargedrag kan dagen tot weken (eind maart) aanhouden. Het mannetje ligt hierbij op het vrouwtje en probeert haar te omwerpen met vaak hevig schokkende bewegingen van het lichaam. De dieren zitten bij mij jaarrond samen. Om de dieren tot paring te stimuleren is gescheiden houden van de seksen en vervolgens op specifieke momenten samenzetten absoluut niet nodig. Als nadeel van jaarrond samenhouden zou genoemd kunnen worden dat je niet altijd aanwezig bent als het tot een echte paring (coïtus) komt, en je dus ook niet altijd 100 % zeker bent of de dieren wel gepaard hebben. Ik heb bij deze soort paringen waargenomen binnen 10 – 21 dagen na het beëindigen van de winterrust.

Paargedrag in het najaar en na het werpen van de jongen zijn trouwens eerder regel dan uitzondering, in tegestelling tot wat Rossman, Ford & Siegel (1996) als een uitzonderlijke waarneming noemen.

Binnen 1 – 2 weken accepteren de slangen weer eten. Als het terrarium (te) koel is kunnen de slangen zeker wel enige tijd voedsel weigeren. De eerste maaltijden eten ze meestal nog niet zo gulzig. Maar al snel worden (in het bijzonder) de vrouwen enorm vraatzuchtig en begin medio/april zijn de vrouwtjes al duidelijk zwanger vanwege hun omvang.

De eerste vervelling vindt (bij de adulten) pas 7,5 – 11 (medio april tot medio mei) weken na het beëindigen van de winterrust plaats, veel later dan bij een aantal andere soorten zoals Thamnophis sirtalis. Het samen zetten van de mannetjes en de vrouwtjes na de eerste vervelling (een veel beschreven methode om slangen tot paring aan te zetten) lijkt mij voor deze soort dan ook geen succesvolle methode, de slangen zijn tegen die tijd al lang zwanger.

Voedsel

De slangen krijgen een dieet van voornamelijk vis. Ik heb de dieren gevoed met spiering, barbeel en soms andere (zoetwater) vissoorten. Alleen in 2004, vanwege het niet meer verkrijgbaar zijn van spiering uit het IJsselmeer heb ik ook vrij veel muis bijgevoerd, maar altijd in combinatie met vis. Thamnophis atratus accepteert muis redelijk gemakkelijk, zeker met vislucht.

De dieren krijgen om de 5 à 7 dagen te eten, en per voedselbeurt geef ik meer dan ze opkunnen. Het voedsel wordt (ontdooid!) op een schaaltje in het terrarium aangeboden, en ik laat het staan tot de volgende ochtend. Vanwege de, zeker in het voorjaar als de vrouwen zwanger zijn, enorme eetlust in combinatie met de felheid waarmee deze dieren op voedsel reageren is het verstandig om de dieren in de gaten te houden om te voorkomen dat 2 dieren aan dezelfde prooi beginnen. Het veel kleinere mannetje zou anders wel eens samen met vis en al in de buik van het veel forsere vrouwtje kunnen verdwijnen. Dit geld zeker als je meerdere jongen slangetjes bij elkaar houd.

Om Thiaminase verschijnselen (zie Zwart 1982) te voorkomen besprenkel ik de vis tijdens elke voederbeurt met Vitamine B1 druppels. Multivitamines (meestal Nekton Rep) voeg ik slechts eens in de 1 à 2 maanden toe. Daar ik de slangen met complete vis (met graat en ingewanden, nooit visfilet!) voer is het toevoegen van een kalkpreparaat totaal overbodig en heb ik dan ook nooit gedaan.

Thamnophis atratus is een zwaargebouwde kousebandslang die in gevangenschap makkelijk vet kan worden. Voer daarom niet te vaak, en zeker bij een dieet van muis moet men oppassen.

Levende vis voer ik zelden maar dat is meer om praktische redenen. De jonge slangen worden wel eens gestimuleerd met levende visjes om ze tot eten te bewegen. Hier zijn ze werkelijk gek op.

In de natuur bestaat het dieet naast vis ook uit amfibieën, zoals kikkers, padden en salamanders (Rossman, Ford & Siegel, 1996). Maar deze krijgen ze bij mij (uiteraard) nooit. In de literatuur wordt geen melding gemaakt van het eten van wormen en slakken. In het natuurlijk biotoop zijn wormen wel algemeen (persoonlijke waarneming) en ik verwacht eigenlijk wel dat ze ook worm zullen eten.

Deel 3